terug naar nieuws kies een andere ronde individuele resultaten
Op 15 februari 2007, een week
na de gewonnen wedstrijd tegen Pallas, moest VDS 1
alweer aan de bak. Er stond in klasse 2B van de OSBO-competitie een
uitwedstrijd tegen ASV 6 op het programma. Onze eerste bordspeler Martijn
London was waarschijnlijk nog niet afgekoeld van de partij tegen Pallas en liet verstek gaan. Daarvoor in de plaats konden
we natuurlijk een beroep doen op onze steun en toeverlaat, de man die nooit
klaagt en altijd paraat staat voor de club, wie anders dan… Harry Mulder. Hij moest
van onze teamleider plaatsnemen aan bord 7. Hoe het hem daar verging? Daarover
later meer. De wedstrijd versla ik meestal op volgorde van beëindiging van de
partijen en dat zal ik ook nu doen en dat betekent dat Harry pas als
voorlaatste aan de beurt is.
Het wedstrijdverloop…
Teamcaptain Frank London
speelde aan bord 1 met wit een Siciliaanse partij.
Klaarblijkelijk had zijn tegenstander met de schilderachtige naam Vermeer,
verder gekeken en meer gezien dan Frank, want hij kwam twee pionnen voor te
staan. Op dat moment stond Frank het zijn teamleden dan ook niet toe om remises
aan te bieden of te accepteren omdat hij vond dat we er als team niet zo goed
voor stonden. Maar Frank zou niet onze remisekampioen zijn geweest als hij ook
uit deze benarde, zo niet hopeloze situatie alsnog een halfje wist te toveren.
Daarna werd hij bereidwilliger tegen zijn teamleden en mochten ook zij remises
nemen. Hoe het ook zij, na de eerste partij was het ½ ‑ ½.
Aan bord 5 had Harm Schoten
zowaar een echte tegenstander van vlees en bloed. Het was lang geleden dat Harm
een serieuze partij had gespeeld maar dat was aan zijn spel niet af te zien.
Harm kwam met wit spelend weliswaar een pion achter, maar hij had daarvoor
mooie compensatie in de vorm van initiatief en dreigingen. In die fase van de
partij kon zijn tegenstander een boel fout doen. Harm had een mooie aanval over
de e-lijn met een loper op de achtergrond die
richting f8 keek. Bij het geringste foutje van de zwartspeler had het pardoes
uit kunnen zijn, maar hij deed zijn naam Dekker eer aan en greep niet mis.
Omdat het foutje uitbleef moest Harm na het heroveren van de pion berusten in
een puntendeling en toen hij dat voor de tweede keer aan Frank vroeg, stond
deze dat toe. De tussenstand was nu dus 1 ‑ 1.
Ondergetekende, Carlo
Buijvoets, speelde aan bord 4 met zwart een Franse partij. Het werd de McCutcheon variant. Dat betekent dat na de standaard
openingszetten 1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 Pf6 4. Lg5, zwart de
dreiging e5 negeert door niet Le7 te spelen maar Lb4, met penning van het paard
op c3. Mijn tegenstander was echter behoorlijk goed op de hoogte van de theorie
en pakte de zaak heel rustig aan. Zo kon het gebeuren dat er een behoorlijk
dichtgeschoven stelling op het bord kwam waarin wit met twee dubbelpionnen op
de c en de e-lijn speelde tegen een dubbelpion van
zwart die ook op de e-lijn stond. Met andere woorden
het centrum zat potdicht en de vleugelspelers moesten het doen. Maar wat heb je
aan vleugelspelers als er nooit een spits in het centrum opduikt om de voorzet
in te tikken. De halfopen f-lijn en de open b-lijn waren de enige mogelijkheden voor beide partijen om
activiteit langs te ontplooien, maar telkens was de tegenpartij er bijtijds bij
om tegenspel te bieden. Slechts op twee momenten had er iets kunnen gebeuren.
Ik speelde op een bepaald moment 0-0-0 en liet daarbij mijn pion op f7 ongedekt
achter. Wit had die pion met de toren van f1 direct kunnen slaan en dat was in
mijn ogen zonder meer goed geweest. Of hij er wat aan gehad zou hebben weet ik
niet, want zijn twee dubbelpionnen maakten dat hij geen speelbare pluspion zou
hebben gekregen. Wit liet echter na om de pion te slaan (waarom weet ik niet)
en ik ging deze vervolgens wel dekken.
Op een ander moment in de partij had ik de keus uit het spelen van g5-g4 of h6-h5.
Zwart had pionnen op h2 en g3 staan en ik had mijn torens op h7 en g8. Een
onbegrijpelijke hersenkronkel deed mij besluiten om eerst h5 te spelen waarna
wit h3 speelde en ik terstond zag dat er nu niets open
te breken viel. Had ik eerst g4 gespeeld, dan waren de witte pionnen vastgelegd
en had ik de koningsvleugel kunnen openbreken. Hoe de partij dan afgelopen was
weet ik niet, maar er had in ieder geval nog spel in gezeten. Dat was nu niet
het geval en de derde remise kwam, ook bij mij na de tweede keer vragen, al
vrij vroeg op de avond tot stand. De tussenstand was nu 1½ ‑ 1½.
Frits Wilbrink kreeg aan
bord 6 1. d4 tegen zich. De partij vorderde
gestaag en op een bepaald moment stond Frits weliswaar een pion achter, maar
die kon hij heroveren. Hij deed dat met afruil van de dames, maar hij had
misschien beter voor een andere mogelijkheid kunnen kiezen. In de analyse leek
eerst nemen met de toren tot kansrijk spel voor Frits te leiden. Dat was echter
niet gespeeld en nadat Frits het materiële evenwicht had hersteld bood hij
meteen remise aan. Dat werd na lang nadenken door zijn tegenstander
geaccepteerd en de tussenstand kwam daarmee op 2 ‑ 2.
Aan bord 8 speelde Frans
van den Berg met zwart een Siciliaan. Frans speelde
een prima partij en kreeg een heel goede stelling. Hij dreigde mat op g2 met dame
en paard, ware het niet dat een loper op f1 dat veld nog dekte. Wit zat op dat
moment behoorlijk klem. Onverklaarbaar was dan ook dat Frans in het vervolg
zijn aanvallend opgestelde stukken successievelijk
terugtrok om defensieve posities in te nemen. Wit kon zich daardoor
ontworstelen aan de druk en zelfs een pion verschalken. Toen Frans meende dat
hij zich schadeloos kon stellen door met een toren een pion op c4 te slaan,
kwam de koude douche in de vorm van de loper van wit die nog steeds op f1 stond.
Deze sloeg meedogenloos de zwarte toren op c4 van het bord en Frans gaf meteen
op. De thuisclub nam een voorsprong: 3 ‑ 2.
Aan bord 2 speelde Bert
Meester met zwart Siciliaans. Hoe de opening verliep
heb ik niet gezien, maar wel zag ik dat Bert in het middenspel een pion voor
stond. Bovendien beschikte hij over een ijzersterk loperpaar dat voor de nodige
dreigingen zorgde. Nadat Frans verloren had en VDS dus achter stond, vroeg Bert
aan mij hoe de situatie in de wedstrijd er uitzag. Daarop zei ik tegen hem:
"Je móet winnen!" Zogezegd, zogedaan. Minder dan vijf minuten later
kreeg Bert de hand van zijn tegenstander aangereikt ten teken van opgave. Na
een fraai pionschaakje midden op het bord, waar de
tegenstander van Bert zich niet zonder stukverlies aan kon onttrekken, was het
moment daar. De stand was weer gelijk: 3 ‑ 3.
Op bord 7 speelde dus onze
invaller, steun en toeverlaat Harry Mulder. Hij had een tegenstander die als
gevolg van een handicap zelf niet de zetten kon
uitvoeren. Hij gaf zijn zetten mondeling aan Harry door en die voerde de ze
vervolgens op het bord uit en drukte op de klok. Harry speelde met wit en wilde
natuurlijk koste wat kost een Franse partij vermijden. Hij had er weliswaar in
vluggertjes enkele keren mee gewonnen, maar het zal hem duidelijk zijn geworden
dat het systeem staat als UNE MAISON! Harry opende derhalve met 1. d4 en Frans is
daarna ver te zoeken. Of toch niet? De zwartspeler liet Harry de zet
1. … d5 uitvoeren waarna Harry,
gambietspeler als wij hem kennen, ongetwijfeld het damegambiet wilde spelen.
Hij vervolgde echter niet met 2. c4, maar speelde
2. e4!! "Beter laat dan nooit," zou ik
zeggen, maar voor Harry was het rampspoed. Toen hij
van de tegenstander 2. … e6 moest spelen zal
Harry wel door de grond zijn gegaan. Zou de zwartspeler de discussie op onze
website tussen de "Franse vrienden" en Harry hebben gelezen? Toen ik
tegen Harm zei dat Harry de Franse verdediging tegen zich had gekregen, was het
eerste wat Harm opmerkte: "Maar Harry moet ook niet met e4 openen!" Dat
had hij dus ook niet gedaan, maar toch… Feit is dat Harry nu eindelijk de
gelegenheid had om zijn gelijk te bewijzen. En natuurlijk had het Franse
systeem nu de mogelijkheid om een dwalende geest tot inzicht te brengen. Al
gauw bleek dat aan de bewijsvoering van Harry het nodige schortte. Zijn
tegenstander gaf hem opdracht om twee van zijn eigen stukken van het bord te
slaan en wat kreeg Harry ervoor terug? Vage aanvalskansen die met rake
tegenzetten te neutraliseren waren. Zo kwam het dat Harry deze avond niet onze
rots in de branding bleek en, extra pijnlijk voor hem, dat hij in opdracht van
zijn tegenstander zichzelf in een Franse partij van het bord moest tikken. De
druiven waren meer dan zuur voor Harry. Hij bleef lang op zijn aanvalskansen
hopen maar moest uiteindelijk toch buigen.
Maar laten we eens kijken hoe Harry, mijn grossier in kopij en van wie ik
vrijdag al vroeg bericht ontving, zelf zijn kruisvaart tegen het Franse systeem
heeft ervaren.
Donderdag
15 februari j.l. moest ik invallen in Team 1 van VDS.
We moesten uit tegen het 6e van A.S.V., wat volgens mij staat voor Arnhemse Schaak
Vereniging. Zoals vaak bij VDS werd ik vrijwillig aangewezen om plaats te nemen
achter bord 7. Dit betekent in een uitwedstrijd dus achter de witte stukken. Ik
opende geheel volgens verwachting met 1. d4. Mijn
tegenstander deed op zijn eerste zet d5. Vervolgens koos ik voor mijn tweede
zet e4 waarna hij e6 antwoordde en zo verscheen de doorschuifvariant van het
Frans op het bord. Piece of cake. Deze opening van de
zwartspeler staat bekend als zeer conservatief, saai, laf en achterhaald.
Door een enorme blunder verloor ik een paard en omdat ik mijn dame niet wou
afruilen verloor ik ook nog eens een loper. Het is natuurlijk logisch dat je de
concentratie verliest als je zo’n vreselijk lelijke
opening tegen je krijgt. Maar goed, als iemand zich bedient van het Frans, dan
kun je gerust twee stukken achterstaan want aanvallen, dat durven en kunnen de
Fransspelers niet. Het was daarom ook zeer aandoenlijk om vorige week in een verslag
(Red: Zie het verslag bij ronde 19 van de interne competitie van VDS.) te lezen
van een Franse voorstander dat hij zo blij was dat hij twee partijtjes had
gewonnen met het Franse systeem. Navraag leerde dat Bram, de tegenstander, een
paar enorme blunders had gemaakt (hierna zelfs nog kans had de partij te
winnen) en daardoor de partij verloor. Helaas heb ik van de tweede partij niets
vernomen. Misschien hoor ik van Arie tegen wie dat was en wat zijn speelsterkte
is en of het inderdaad een grootse prestatie was. Ik heb nu al het vermoeden
dat ook deze speler de partij heeft laten glippen. Ik zal het Arie vragen.
Terug naar Arnhem.
Ondanks de materiële achterstand waren de beste kansen uiteraard voor mij. Ik
kreeg een fantastische aanval en stond op het punt om de winst binnen te
halen……. Echter, in mijn enthousiasme greep ik mis waardoor de tegenstander
opgelucht kon ademhalen en vervolgens de partij, ik moet wel eerlijk zeggen,
zeer vakkundig tot winst schoof. Na de partij verzekerde hij mij dat hij nooit
meer Frans zal spelen. Want alleen door blunders van de tegenstander leidt dit
tot winst, zo vertelde hij. Gelukkig weer iemand die deze foute opening vaarwel
zegt en inziet dat het schaakspel hiervoor niet is bedoeld.
De tussenstand
was nu 4 ‑ 3 voor ASV 6. Wij konden niet meer winnen maar
alleen nog een gelijk spel uit het vuur slepen. Dan moest Erwin Greven aan bord
3 wel winnen in zijn Engelse partij en het zag er alleszins naar uit dat hem
dat ging lukken. Nadat Harry onder de guillotine een kopje kleiner was gemaakt,
stond bij Erwin de diagramstelling op het bord. Het is duidelijk dat Erwin niet
alleen een pion voorstaat, maar ook zijn tegenstander helemaal in de tang
heeft. Zwart kan bijna geen kant op en kan alleen maar afwachten wat komen
gaat. Bovendien had Erwin hier nog ruim een kwartier bedenktijd en zijn
tegenstander nog ongeveer vijf minuten.
Zelf dacht ik dat Erwin vanuit de diagramstelling op mat kon spelen met Da5,
Da7 en Db8 en dat de tegenstander dit alleen met grote materiële offers kon
afwenden. De beide combattanten hadden het echter beter gezien. Zwart speelt na
33. Da5 gewoon zijn paard terug van g5 naar f7 en vervolgens naar d6. De
loperdiagonaal is dan onderbroken en het mat gaat niet door.
Vanuit de diagramstelling volgde: 33. Lxg5 Txg5
34. Txe6 Df7 35. Te5 Te8 36. f4 Tgg8
37. Tde2 h5 38. Pxb7. Na deze zet keken alle VDS'ers elkaar tevreden aan. Ikzelf verwachtte dat zwart
hier wel op zou geven, nu hij minstens de dame voor een toren moest geven, maar
hij speelde nog even verder tegen Erwin en de klok. 38. … Txe5 39. Pd6+ Kb8 40. Pxf7 Txe2
41. Dd6+ Ka7 42. Dc7+ Ka6 43. Dxc6+ Ka5
44. Pd6 Tb8 45. Pb7+ Txb7 46. Dxb7 1-0 Hier hield
zwart het wel eindelijk voor gezien. Hij moet zijn toren
geven om mat te voorkomen en pat zit er ook niet in.
Zo haalde Erwin voor VDS op de valreep
nog een wedstrijdpunt binnen door de eindstand van 4 ‑ 4 op het
scorebord te brengen. We hadden natuurlijk liever gewonnen en onze voorsprong
op Zutphen 2, die één matchpunt bedroeg bij het
ingaan van de 5e ronde, behouden. Maar je hebt het niet altijd voor
het kiezen. En dat bleek ook voor Zutphen te gelden.
De volgende dag verscheen op de website van de OSBO de uitslag van Ugchelen tegen Zutphen 2:
4 ‑ 4! Er is na het niet ingecalculeerde gelijke spel dus niets
aan onze uitgangspositie in de jacht op het kampioenschap veranderd. Met nog
twee wedstrijden te gaan hebben we alles nog in eigen hand. Maar laten we niet
nog zo'n uitglijder maken. Er staat ons in de
slotronde die wij zelf thuis organiseren, een spannende
"uitwedstrijd" tegen Zutphen te wachten met
mogelijk een feestelijke afsluiting in de vorm van het kampioenschap voor VDS
1.
Carlo Buijvoets
Individuele
resultaten VDS
|
Bord |
ASV 6
(1730) |
VDS 1
(1812) |
4 - 4 |
|
1 |
J.A. Vermeer (1791) |
F. London (1784) |
½ - ½ |
|
2 |
D.J. Hajee
(1812) |
B. Meester (2026) |
0 - 1 |
|
3 |
M. Braam (0000) |
E.J. Greven (1866) |
0 - 1 |
|
4 |
F.M. Wiggerts
(1759) |
C.M. Buijvoets (1760) |
½ - ½ |
|
5 |
A. Dekker (1656) |
H.H. Schoten (1826) |
½ - ½ |
|
6 |
J. Boonstra (1701) |
F.L.W. Wilbrink (1728) |
½ - ½ |
|
7 |
T.M.J. Bentvelzen
(1663) |
H.W. Mulder (1665) |
1 - 0 |
|
8 |
J. Groen (0000) |
F.L. van den Berg (1840) |
1 - 0 |