Luctor et submergo
terug naar nieuws kies een andere rondeOp 16 oktober 2003 was het zover. VDS 1 moest op voor de herhaling in de eerste klasse nadat het debuut in het voorgaande seizoen bijzonder succesvol was gebleken. Dat verdient een vervolg. We mochten beginnen met een thuiswedstrijd tegen promovendus ASV 4 uit Arnhem.
Een week eerder was de wedstrijd eigenlijk al begonnen omdat Martijn London zijn partij aan het tweede bord vooruit speelde. Nu zijn we van ons vlaggenschip Martijn gewend dat hij op zijn minst een halfje in de wacht sleept en dat doet door gecompliceerde stellingen op het bord te brengen en deze niet zelden in tijdnood naar remise of zelfs winst te vluggeren, gewoon omdat hij het beter gezien had of over de betere schwindels beschikte. Op 9 oktober jl. kwam niet alleen Martijn, maar heel VDS 1 dat volledig op zijn kwaliteiten vertrouwt, van een koude kermis thuis. Zegge en schrijve zeventien zetten duurde de strijd die Martijn met wit voerde en waarin hij door zijn tegenstander op hardhandige wijze werd opgebracht. In het koningsgambiet werd Martijn op de vierde zet geconfronteerd met de zet Ph5 nadat hij met zijn e-pion dit paard van f6 verdreven had. Die zet kende Martijn nog niet. Hij vervolgde op de voor hem gebruikelijke wijze met het compliceren van de stelling waarbij hij op de tiende en elfde zet respectievelijk een pion en een toren (schijn)offerde en en passant twee keer mat-in-één dreigde. Maar het mocht niet baten. De matdreigingen waren simpel te pareren en daarna waren de complicaties dit keer zelfs Martijn boven het hoofd gegroeid. Uiteindelijk, we zijn dan bij de zestiende zet aanbeland, bracht het eerder genoemde paard aan de rand (!) hem de definitieve knock-out toe door schaak te geven op g3 waarna er voor Martijn niets anders op zat dan opgeven of dameverlies accepteren. Martijn koos voor de eerste optie: 0-1.
Een week later werden de overige zeven partijen van deze confrontatie afgewerkt. Aan het vierde bord was het Frank London met wit spelend, die als eerste klaar was met zijn partij. Het was een woeste Franse partij waarin Frank, de man van het motto "een dag niet geofferd…", al vroeg een loper offerde voor twee pionnen om op de damevleugel lijnen te openen nadat zijn tegenstander lang gerokeerd had en zo het initiatief te behouden. Het offer slaagde bijzonder goed, want vele zetten later won Frank de loper terug in ruil voor één enkele pion en veel ruimte richting de vijandelijke koning. Dit had hem vleugels moeten geven en dat leek het ook even te doen. Maar een torenzet van zijn tegenstander werd door Frank niet op de juiste waarde geschat en toen hij dacht dat hij met zijn loper vanaf a5 een toren op d8 onder vuur kon nemen, was het de andere toren van zwart die de loper simpel kon slaan. Franks tegenstander bood daarop direct remise aan, hetgeen werd geaccepteerd. Maar ook zonder die blunder van Frank was de winst nog ver te zoeken geweest, bleek uit de post mortem. Hoe het ook zij, de stand werd ˝-1˝.
Aan bord drie bestreed ondergetekende, Carlo Buijvoets, met zwart de openingszet 1. d4. Een goede gelegenheid om jullie deelgenoot te maken van een bericht dat ik vorige week per e-mail kreeg van Bert Meester. Daarin ging hij onder andere in op zijn eerste partij dit jaar in de KNSB-competitie. Zijn commentaar bij de opening was:
"1. e4 (tegen d4 heb ik nog wel iets maar hiertegen niet) .. d5 (wanhoop, ook wel Skandinavisch genoemd)".
Zijn commentaar is voor de volle honderd procent van toepassing op mijn partij, maar dan alleen met vervanging van eerste zetten door 1. d4 e5 (ook wel Englundgambiet genoemd). Maar die wanhoop blijft recht overeind in mijn geval. Ik ben mij er ten volle van bewust dat dit een zeer dubieus gambiet is en dat zwart bij goed tegenspel weinig hoop hoeft te koesteren op een goede afloop. Maar wie weet nu precies hoe het gespeeld moet worden? Waarschijnlijk alleen ene E.J. van Herk. Bovendien heb ik er geen moeite mee om mij in de opening in lastig vaarwater te begeven. Het houdt je scherp in de rest van de partij terwijl de tegenstander veelal wel ergens een steekje laat vallen. Zo ook nu. Ik kreeg mijn pion direct terug en kwam vervolgens onder zware druk te staan. Ik moest secuur spelen om tot ontwikkeling te komen en om een dreigend dameverlies te voorkomen. Daarin slaagde ik met kunst en vliegwerk, maar het had mij wel een pion kunnen kosten. Na vijftien zetten was de volgende stelling op het bord gekomen:
Stelling na 15. … Txc8

Hier had wit in mijn ogen probleemloos de a-pion kunnen meenemen, maar hij liet dat na. Zijn argument dat hij mij, met het oog op een korte rokade mijnerzijds, geen halfopen a-lijn wilde verschaffen is wel begrijpelijk, maar na 16. Dxa7 0-0 17. a3 zie ik niet hoe ik op korte termijn een beslissende aanval over die a-lijn kan plaatsen. Ik denk dat wit met een pionnenstorm op de koningsvleugel eerder komt. Hoe het ook zij, de partij ging verder met 16. e4 dxe4 17. The1 0-0 18. Pxe4 Pxe4 19. Txe4 Dc7 20. De5 Dxe5 21. Txe5 Tc7 22. Tde1 f6 en hier bood ik, na overleg met de teamleider, remise aan. Er is voor geen van beiden nog eer te behalen aan deze stelling. Mijn tegenstander wenste het, ook op last van zijn teamleider, nog even te proberen: 23. Te7 Tfc8 24. Txc7 en hier werd de vrede reeds getekend. Het was nog maar halfelf en inmiddels 1-2.
De resterende vijf partijen hadden alle vijf twee dingen met elkaar gemeen. Ze werden allemaal geopend met 1. d4 Pf6 en werden allemaal beëindigd door een vallende vlag, soms in een betere stelling voor de winnaar, maar in drie gevallen was dat niet het geval. Als eerste was Frits Wilbrink aan de beurt. Hij had met de zwarte stukken langdurig strijd gevoerd met een dame en aanvankelijk een toren en zeven pionnen tegen twee torens, drie lichte stukken en drie pionnen. Toen er een stel torens van het bord verdwenen was, had Frits nog steeds zijn zeven pionnen, maar zijn tegenstander was er één kwijtgeraakt. Het zag er dus nog niet zo heel beroerd uit voor Frits, temeer daar de stukken van zijn tegenstander niet zo daverend stonden. Na enig gemanoeuvreer kreeg de ASV'er zijn stukken echter wel op de juiste velden en daarna begon het aftellen. Frits ging van zeven pionnen naar zes, vijf vier, drie en bovendien begon de tijd behoorlijk te dringen. Matdreigingen met een dame alleen tegen een toren en drie lichte stukken zijn ook ver te zoeken en de verlossing voor Frits kwam dan ook in de vorm van het vallen van de vlag. De ongelijke strijd heeft hij lang weten vol te houden, maar uiteindelijk moest hij het verlies incasseren: 1-3.
De volgende beslissing viel aan het achtste bord van onze tijdnoodkampioen en dit keer invaller bij afwezigheid van Arie van Veen. Johan van Ommen moest het, spelend met wit, opnemen tegen een Grünfeld-verdediging. Hoewel er op de 28e zet nog sprake was van een materieel evenwicht, had Johan een fraaie aanval opgebouwd en kon hij bogen op een positioneel overwicht. Hij had daar echter zeer veel tijd aan besteed en zijn tegenstander had dan ook een duidelijke voorsprong op de klok. Johan resteerden slechts 5 minuten bedenktijd en zijn tegenstander had er nog 60. Dat gaf de doorslag. Johan kreeg niet meer de gelegenheid om zijn mooie stelling te verzilveren. "Time!": 1-4.
Aan bord zeven kwam André Schols na vier zetten die zoals gezegd begonen met 1. d4 Pf6 toch nog in zijn favoriete Pirc terecht. Toen op de zeventiende zet het eerste materiaal van het bord verdween kwam André kort daarna een pion voor te staan. "Maar ik sta niet lekker." was zijn commentaar op de stelling. Nog weer een tijd later had André de beschikking over een dame en een toren terwijl zijn tegenstander het moest doen met vier lichte stukken die weliswaar verre pionnen ondersteunden, maar het had er alle schijn van dat André deze pionnen onschadelijk kon maken. Hij meende dat te kunnen doen met een dameoffer op h1 waarna hij dacht zelf te kunnen promoveren. Dat pakte even anders uit. De promovendus werd net op tijd tot staan gebracht en plotseling leken de kansen gekeerd, ware het niet dat … daar nog de klok was. Deze tikte duidelijk in het voordeel van André. Toen hij geen andere mogelijkheid meer zag op een gunstig resultaat, liet André met verdedigende zetten zijn tegenstander de laatste seconden opgebruiken om tenslotte de winst te claimen omdat de vlag gevallen was. Het was een zinderend eindspel geweest en de tegenstander complimenteerde André dan ook en zei dat hij het netjes gespeeld had. André's commentaar op dat compliment was: "Nou, netjes???" De stand was nu 2-4 en een gelijk spel zat er nog in.
Aan bord één speelde Erwin Greven met zwart. Al betrekkelijk vroeg op de avond en ook in de partij beging Erwin een ernstige fout waardoor hij zijn dame moest inleveren tegen twee lichte stukken. Uit en voorbij, was mijn gedachte op dat moment. Maar ik had even geen rekening gehouden met de veerkracht van Erwin. Met heel secuur spel hield hij de strijd lange tijd gaande en heel laat op de avond stond hij nog slechts een kwaliteit achter. Wel had Erwin erg veel tijd moeten investeren in zijn revival en hij had nog maar één minuut tegen 16 voor zijn tegenstander. In het eindspel wist Erwin vervolgens de materiele achterstand om te buigen in een kleine kwaliteit voordeel. "Luctor et emergo" leek zijn credo voor deze avond te worden, ware het niet dat de tijd daarvoor te kort schoot. Had hij nog enkele minuten meer op de klok gehad, twee misschien, dan had hij de partij zeker met remise en waarschijnlijk zelfs met winst kunnen afsluiten. Maar helaas, Erwin moest uiteindelijk het hoofd buigen voor de vallende vlag. Na uren lang spartelen en tegen de stroom op zwemmen ging Erwin tenslotte wel kopje onder: "Luctor et submergo" was zijn lot. Desalniettemin kon hij na deze uitputtingsslag met opgeheven hoofd zijn tegenstander de hand schudden: 2-5 en de wedstrijd was verloren.
De laatste partij die tot een eind kwam was die van Harm Schoten, met wit spelend aan bord zes. Ook Harm zag zich geconfronteerd met een Grünfeld-verdediging en ook hier bleef het materiele evenwicht lange tijd gehandhaafd, zij het dat het hier slechts schijn was. Een pion van Harm die dubbel geparkeerd stond op de a-lijn, heeft vele zetten en prise gestaan, maar voor zijn tegenstander was er voorlopig geen aanleiding om die pion te incasseren. Hij verbeterde zijn stelling en Harm moest alle registers opentrekken om zich te verdedigen. Hij hield de strijd dapper vol, maar … de klok. Het was bijna twaalf uur toen Harm uiteindelijk dat vervelende tikje naast zich hoorde dat de vallende vlag maakt. Maar ere wie ere toekomt, Harm stond er allerminst florissant voor en zijn tegenstander heeft de winst dan ook verdiend: eindstand 2-6.
De belangrijkste les die we hieruit moeten trekken is, dat we een betere start hebben meegemaakt dan vorig seizoen. Toen ging de eerste wedstrijd verloren met 1˝-6˝ en eindigden we uiteindelijk zeer verdienstelijk in de middenmoot en nog net in "het linker rijtje". Er is slechts één wedstrijd verloren. Er volgen er nog zes!
Carlo Buijvoets
Individuele resultaten 1e ronde OSBO-competitie 2003-2004
|
Bord |
VDS 1 (1801) |
ASV 4 (1808) |
2 - 6 |
|
1 |
E.J. Greven (1835) |
A.P. Taal (1849) |
0 - 1 |
|
2 |
M. London (2028) |
B. Plomp (1871) |
0 - 1 |
|
3 |
C.M. Buijvoets (1785) |
P.W.J. Schoenmakers (1767) |
˝ - ˝ |
|
4 |
F. London (1777) |
R.van Belle (1854) |
˝ - ˝ |
|
5 |
F.L.W. Wilbrink (1814) |
E.P.J.van Seben (1839) |
0 - 1 |
|
6 |
H.H. Schoten (1849) |
J.W.van Willigen (1729) |
0 - 1 |
|
7 |
A.C. Schols (1667) |
J. Boonstra (1802) |
1 - 0 |
|
8 |
J.D.van Ommen (1655) |
N.P. Schoenmakers (1753) |
0 - 1 |