Het moest van ver komen…

Op donderdagavond 13 maart 2003 moest VDS 1 in een thuiswedstrijd aantreden tegen Pallas 1 uit Deventer. Het uitgangspunt voor deze wedstrijd was dat VDS nog niet helemaal zeker was van lijfsbehoud in de eerste klasse en met 5 uit 5 op de vijfde plaats stond. Pallas bungelde met 1 punt roemloos onderaan en had bij winst nog een theoretische kans om de degradatie te ontlopen. We konden de borst dus nat maken. Uit welingelichte bron (lees: Frits Wilbrink) vernam ik direct voor de wedstrijd dat VDS nog nooit van Pallas 1 had gewonnen. In die opmerking bespeurde ik enig gebrek aan zelfvertrouwen bij Frits. Het klonk een beetje alsof hij zeggen wilde dat het dit keer ook wel niet zou lukken. Zelf heb ik niet gauw last van dergelijke gevoelens en ben ik meer iemand die probeert tegen het bord te schaken en niet tegen de tegenstander. Dus liet ik me door de opmerking van Frits ook niet van de wijs brengen en nam ik vol goede moed plaats achter mijn bord. Daar kwam ik er achter dat ik met zwart tegen de heer W. Duvekot moest schaken. Wij hadden elkaar twee seizoenen eerder ook al ontmoet en ook toen had ik zwart. De partij van destijds eindigde in remise en dat was voor mij een prima resultaat want Duvekot had toen een rating van 1863 en ikzelf van 1667. In de twee tussenliggende jaren zat ik echter in de lift en is Duvekot in een vrije val geraakt. Mijn rating nu is 1743 en die van Duvekot 1732, maar dat wist ik bij aanvang van de partij niet. Ik verkeerde nog steeds in de veronderstelling dat mijn tegenstander een hogere rating had dan ik en prentte mijzelf in dat het vroegere resultaat ook nu bereikbaar moest zijn. Met die overpeinzingen in mijn hoofd begon ik de partij zoals ik ook de vorige partij tegen Duvekot was begonnen, met de Franse verdediging. Al snel na aanvang van de wedstrijd zou blijken dat het een heet avondje zou worden, niet alleen vanwege de harde strijd die gevoerd werd, maar meer nog doordat mijn tegenstander de deur naar de grote zaal telkens direct sloot. Dat deed hij omdat een literair begaafd persoon, die zich voor zijn lyrische ontboezemingen laat inspireren door de klinkende resultaten die hij behaalt bij VDS, nogal luidruchtig was in zijn treffen met onze voorzitter. Daardoor steeg de temperatuur in ons speelzaaltje tot een niveau waarbij iedereen het zweet over de rug moet hebben gelopen. Na een berisping van onze teamleider aan het adres van de grote poëet werd het wel aanmerkelijk stiller in de grote zaal, maar mijn tegenstander hield de deur angstvallig gesloten.

Osbo competitie 2002-2003 Klasse 1a, ronde 6
Beekbergen
13 maart 2003
Bord 5
Wit: W. Duvekot (Pallas 1; KNSB-rating: 1732)
Zwart: C. Buijvoets (VDS; KNSB-rating: 1743)


1. e4 e6 2. d4 d5 3. Pc3 Pf6 4. Lg5 Le7 5. e5 Pfd7 6. Lxe7 Dxe7 7. f4 a6 8. Pf3 c5 9. Dd2 Pc6 10. a3 Met deze zet verlaat wit de bekende theorie. 10. … f6 Zwart besluit het witte centrum aan te tasten. 11. dxc5 fxe5 12. fxe5 Pcxe5 13. Pxe5 Pxe5 14. Df4 Df6 Gespeeld in de hoop op dameruil waarna mijn paard op e5 slechts moeilijk te verdrijven zou zijn en ik voor een eventueel eindspel al een betere pionnenstructuur bezit. Mijn tegenstander ging helemaal mee in mijn plan. 15. Dxf6 gxf6 16. Le2 0-0 Lang over nagedacht maar uiteindelijk toch maar kort gerokeerd, recht in de halfopen g-lijn. Mijn inschatting was dat, met mijn paard op e5, wit zijn zware stukken niet of nauwelijks op de g-lijn zou kunnen krijgen en dat kwam in het vervolg van de partij ook uit. Fritz stelt hier voor: 16. … Ld7 17. Tf1 Ke7 18. Tf4 waarna hij de stelling als gelijkwaardig beoordeelt. 17. 0-0 Ld7 18. Tad1 Tac8 19. b4 Tc7 20. Td4 a5 Zwart begint een minderheidsaanval op de damevleugel. Eerst 20. … b6 nodigt uit tot een torenoffer en leidt tot een onduidelijke stelling na 21. Txd5 exd5 22. Pxd5, een stelling die volgens Fritz gelijkwaardig is. 21. Tdf4 Kg7 22. Pb5 Lxb5 23. Lxb5 Na deze afruil staat mijn paard helemaal onaantastbaar op e5. 23. … axb4 24. axb4 b6 25. cxb6.


Stelling na: 25. bxc6

Na deze zet was het mijn bedoeling om de pion op c2 te slaan en wit op te zadelen met een dubbelpion op de b-lijn. Bij nader inzien zag ik echter dat 25. … Txc2 faalt op 26. Txf6! Txf6 27. Txf6 Kxf6 28. b7 en promotie is niet meer te voorkomen. Een andere variant zou zijn: 26. Txf6! Tb8 27. Txe6 en wit neemt het heft in handen. Ook: 26. Txf6! Ta8 27. b7 is slecht voor zwart. Vandaar: 25. … Tb7 26. Le2 Txb6 27. b5 Pd7 gespeeld met de bedoeling om mijn centrumpionnen te mobiliseren. 28. Ta4 Pc5

(intermezzo)
Inmiddels was er aan de andere borden natuurlijk ook strijd geleverd en drie partijen waren reeds beëindigd. De eerste die klaar was met zijn partij was teamleider Frank London (bord 4). Zijn eigen relaas van die partij is als volgt:

"Frank London kreeg dit keer z’n Caro Kann met wit te bestrijden. Héél, héél lang geleden had hij al eens tegen Agnes Riemslag gespeeld en langzaam kwam de partij van toen weer tot leven. 1. e4 c6 2. d4 d5 3. e5 Lf5 4. Ld3 Lxd3 5. Dxd3 e6 6. Pc3 c5! had hij toen een behoorlijke hekel aan. Dus in plaats van 6. Pc3 speelde hij nu 6. Pe2 om c3 in de stelling te houden. Enige zetten later speelt onze teamleider, indachtig het Boekenweekthema van dit jaar, de grafzet c4. Volgens Krabbé in z’n laatste AD-column "De Ondergangszet" (ook te lezen op internet). Daarna werd het je reinste koffiehuisschaak, eindigend in remise omdat beide opponenten het niet meer zagen."

De tweede partij die beëindigd werd was die van Frans van den Berg (bord 7). Frans was zelf achteraf niet helemaal tevreden met de uitkomst en meende dat er meer had in gezeten, getuige zijn verhaal:

"Frans speelde met zwart de Pirc en kwam tegenover d4, e4 en f4 te staan, later nog gevolgd door g4!! Een tegenstoot in het centrum gooide de stelling open en zwart kreeg kansen, maar wit verdedigde bekwaam. Toch won zwart een pion en kwam de witte koning in het gedrang. Na een afwikkeling leek beiden een remise het logische resultaat en daartoe werd dan ook besloten. Toch…een gemiste kans."

Links van mij zat Frits Wilbrink (bord 6). Dat was dus een partij waar ik redelijk het oog op had. De overige partijen waren voor mij niet te volgen vanaf mijn stoel. Reeds in een zeer vroeg stadium had ik Frits c3 zien spelen in een stelling die dat absoluut niet toeliet. Zijn tegenstander had op dat moment met een gerust hart een pion kunnen winnen en daarbij tegelijkertijd de koningsstelling van Frits kunnen verzwakken. Hij dacht echter ruim 15 minuten na om vervolgens die manoeuvre achterwege te laten. Dat was een hele opluchting voor Frits die, zoals eerder reeds gemeld, toch al niet vol zelfvertrouwen de wedstrijd in was gegaan. Het verslag dat Frits mij achteraf van zijn partij op papier toevertrouwde was erg bondig en luidt:

"Frits kreeg een Russische partij voor de kiezen. Er is maar één woord voor… (denk aan Marokkanen)."

De partij van Frits eindigde in remise, een resultaat waar Frits zeer tevreden mee was. Op dit moment in mijn eigen partij was de stand dus 1˝-1˝ en ik dacht dat de stelling die ik bereikt had ook voor remise in aanmerking kwam. Ik had geen idee van de andere partijen en vroeg Frank of ik remise mocht aanbieden. Hij stemde daarin toe en ik bood mijn tegenstander hier dan ook een puntendeling aan. Deze moest op last van zijn teamleider echter doorspelen en dus werd de partij vervolgd.
29. Ta7+ Tf7 30. Txf7+ Kxf7 31. c4 d4 32. Ta1 Ke7 Zwart brengt de koning vast over naar de damevleugel om daar te kunnen assisteren bij het tegenhouden van de witte pionnen. 33. Ta7+ Tb7 34. Txb7+? Wit is zich van geen kwaad bewust en onderschat hier volgens mij de kracht van de zwarte pionnen ten opzichte van de zwakte van zijn eigen b- en c-pion. Die zullen geen stap meer verzetten en wit zal door het zwarte centrum met de rug tegen de muur worden gedrukt. Mijn oordeel is dat de afruil van de laatste zware stukken een regelrechte blunder is van wit. Dit kwam mij echter goed van pas want inmiddels had ik van Frits gehoord dat Erwin Greven (bord 3) een stuk had verloren (weggeblunderd) en ik wilde nu voor de winst gaan en kon daarmee een te verwachten verlies van Erwin compenseren. 34. … Pxb7 35. Lf3 Pc5 36. Kf2 e5 37. h3 f5 38. Ke1? Wit is het spoor helemaal bijster. 38. Ld5 stelt wit in staat in ieder geval zijn loper actief te houden. Die wordt met de volgende zet van zwart nagenoeg opgesloten in een steeds kleiner wordende ruimte en kan niet meer ingezet worden bij de verdediging van de witte pionnen op de damevleugel. 38. … e4 39. Ld1 f4 40. Ke2 Kd6 41. Ke1 In arren moede begint wit zijn koning heen en weer te spelen. Er zijn geen zinvolle zetten meer. 41. … Ke5 42. Kf1 d3 Na deze zet is er geen redding meer mogelijk voor de witte pionnen op de damevleugel. De zwarte koning loopt via d4 naar c4 en b5 en zwart heeft niets meer. Zwart geeft op.
Inmiddels was de partij van Martijn London (bord 1) ook afgelopen. Hier volgt zijn beschrijving van die partij.

"Martijn (met zwart) zat in een Hollandse partij waarin hij moest aanvallen (had hij beter niet kunnen doen). Op de 11e zet speelde hij g5, wat een leuke zet leek, maar achteraf bleek het een mindere zet te zijn want zwart moest daardoor in de verdediging en kreeg eigenlijk een verloren eindspel van D+T tegen D+T. Martijn krijgt echter alsnog remise doordat zijn tegenstander, Carla Bruinenberg, in tijdnood in de stress raakt."

Op dit moment was de stand dus 3-2 voor VDS en waren er nog drie partijen gaande. Zoals gezegd was het de verwachting dat Erwin zou gaan verliezen en moest er aan de andere twee borden nog anderhalf punt worden gescoord voor de winst. Niet veel later kwam de volgende partij van super-sub Harm Schoten (bord 8) tot een eind. Zijn verhaal:

"Harm kreeg met wit 1. d4 c5 op het bord. Dit was nieuw voor hem en na vier zetten stond zijn dame al op d5. Vervolgens werd deze over het hele bord gejaagd, maar steeds net niet gevangen. De tegenstander van Harm won echter wel een pion. Hierna kreeg Harm weer het initiatief en werd met tijdnood van de tegenstander tot remise besloten. Een pak van Harms hart."

We stonden nu op de drempel van een gelijk spel en een overwinning van Bert Meester (wit aan bord 2) kon ons zelfs de overwinning brengen. Hier volgt zijn verhaal.

"Na een tamme f4 (Bird) opening meende mijn tegenstander lang te moeten rokeren. Dit gaf mij de kans met 17 Dh5 de pionnen op f7 en h7 in te zetten. Uiteindelijk leverde dit een pion op ten koste van een open g- en h-lijn gevuld met torens voor mijn tegenstander. Ik had echter berekend het te kunnen houden. Maar toen moest ik nog winnen. Ik dacht met een pionnenopmars in het centrum de zwarte koning te kunnen ontmantelen maar zag even later een geniepige damewinst manoeuvre van mijn tegenstander (zie diagram).

Wit: B Meester (VDS 1)
Zwart H.Mandemaker (Pallas 1)

Stelling na 27 .. b6

Wit staat een pion voor maar om hem te kunnen verzilveren lijkt het openbreken van de zwarte damevleugel een vereiste. Vandaar 27 d4 exd4 28 cxd4 cxd4 en nu had ik gepland op d4 terug te slaan met de dame, maar opeens realiseerde ik me dat na 29 Dxd4 Lc5 de dame verloren gaat omdat het paard op e4 gepend staat door de toren op g4. Weg extra pion ! Vandaar: 30 Df3 Lc5 Gelukkig werkt zwart mee. 31 Kg2 (Na 31 Pxc5 was ik bang voor 31 .. Txg3+ 32 hxg3 Txg3+ maar had niet gezien dat dit faalt op 33 Kh1 Txf3 34 Te8+ en wit blijft een toren voor, echter na 31 .. bxc5 is niet goed te zien hoe wit verder komt. Na direct 31 Tc1 was ik ten onrechte bevreesd voor 31 .. De5 omdat ook in dit geval na 32 Pxc5 het torenoffer op g3 wordt weerlegd: 32 .. Txg3+ 33 hxg3 Txg3+ 34 Kh1 Txf3 35 Pd3+ en wederom blijft wit een toren voor. Al met al was mijn konigszet waarschijnlijk toch het meest praktisch omdat het alle zorgen over torenoffers op g3 uit de stelling haalt, en alle witte dreigingen langs de c-lijn intact blijven. Bovendien dreigt 32 Pxf6 wat niet kan worden weerlegd met 32 .. De5 vanwege 33 Pxc5) 31 .. Dd8 Na deze zet zijn alle witte zorgen voorbij. Er volgde 32 Tc1 Kb8 33 Pxc5 bxc5 34 Txc5 d3? 35 Td5 en hoewel ik toch nog wat problemen had om dit zware stukken eindspel met 2 pionnen voor te winnen verloste mijn tegenstander me op de 47e zet uit mijn lijden door zich mat te laten zetten."

Met zijn laatste opmerking laat Bert weten dat het schaken voor hem een vorm van zelfkastijding is. Hij beschouwt een gewonnen stelling voor hem als lijden en toch heeft hij in zijn korte carrière bij VDS een monsterscore opgebouwd. Wat hebben wij hem laten lijden, en is dat niet waar het in het schaken allemaal om draait, het je tegenstander zo moeilijk mogelijk maken? Dus op de keper beschouwd kan iedereen die ooit bij ons van Bert verloren heeft, zichzelf moreel winnaar noemen.
Hoe het ook zij, na deze nieuwe opoffering van Bert was de eerste winst van VDS op Pallas 1 dus een feit en tegelijkertijd was het nu ook zeker dat VDS volgend jaar weer in de eerste klasse mag uitkomen. Toch was er nog steeds één partij gaande, namelijk die van Erwin Greven (zwart aan bord 3). Zijn partijverslag luidt als volgt:

"Ik (Erwin) kreeg Carlo’s favoriet op het bord, het Morra-gambiet. Komt dit door zijn infiltratie in Deventer, dat ze dit daar ook spelen? Het werd dus weer een gevecht om de speelwijze te weerleggen. Na een strijd om het veld d6 leek de stand gelijk na het afruilen van de zware stukken. Uiteindelijk was het toch wit die met voordeel uit de verwikkelingen kwam. Nadat Martijn een remise in de schoot geworpen kreeg omdat Carla Bruinenberg het in een gewonnen stelling met nog 10 minuten op de klok niet aan durfde om door te spelen, had ik ook m’n hoop nog gevestigd op een remise vanwege tijdnood. Maar mijn tegenstander bleef ook in de tijdnoodfase koel waardoor ik ook deze keer het hoofd moest buigen voor Morra!"

Zo kwam een eindstand van 4˝-3˝ op het bord in het voordeel van VDS. De eerste overwinning op Pallas 1 was echter niet gemakkelijk bewerkstelligd door de club uit Beekbergen. Er waren mensen van ver (Bert uit Heerhugowaard en Carlo uit Deventer, het hol van de leeuw) nodig om de hele punten te scoren en van de vijf halfjes waren er drie waar een minnetje bij mag en was er één waar een plusje bij mag. Maar om dit alles niet getreurd, de winst is een feit: proficiat aan allen voor een prima teamprestatie! En laat ik niet vergeten onze voorzitter te danken voor de bardienst die hij draaide.

Carlo Buijvoets

Onderstaande aanvulling op het verslag van Bert Meester naar aanleiding van de wedstrijd van VDS 1 tegen Pallas 1, mocht ik per e-mail van hem ontvangen als reactie op mijn treiterige interpretatie van zijn opmerking dat hij in gewonnen positie door zijn tegenstander uit zijn lijden verlost moest worden. In dit betoog wil Bert zijn eigen bedoeling met die opmerking verduidelijken en tegelijk een lans breken voor de vroeger gangbare, maar tegenwoordig meer en meer in onbruik gerakende tijdcontrole na de 40e zet. De titel en het diagram zijn door mij toegevoegd, maar de rest van het verhaal is onverkort van de hand van de meester.
Wie eerst nog even de eerdere bijdrage van Bert, waar onderstaand verhaal een aanvulling op is, wil lezen, kan
HIER klikken.
Carlo Buijvoets

Pleidooi voor de tijdcontrole (Ode aan VDS)

Nog een kleine nuancering ten aanzien van mijn lijden. Dit lijden hield niet in de eerste plaats verband met het gewonnen staan maar met de beperkte bedenktijd die mij ter beschikking stond. Het gewonnen staan versterkt dan het lijden. Gewonnen staan met zeeën van bedenktijd gaat me heel goed af. In een verloren stelling is beperkte bedenktijd minder een probleem met name als ook de tijd van de tegenstander beperkt is. Het kan dan immers juist leuke schwindlekansen bieden. In de onderhavige partij had ik zelf een kleine 5 minuten en mijn tegenstander ongeveer 3 maar ik was gezien mijn gewonnen positie de enige die iets te verliezen had.

Wit: Bert Meester (VDS 1
Zwart: H. Mandemaker (Pallas 1)

Stelling na: 35 Td5

35 … De7 36 Tx3 Te4 37 Tf2 Tc8 38 Tfd2 Tc7 39 Td8+ Ka7 voelde ik dat ik met een paar doelgerichte zetten de partij moest kunnen beslissen maar de tijd ontbrak me om de beste zet 40 Dd3 te vinden. Na 40 Df2+ Kb7 41 T8d6 Te3 besefte ik dat ik het ergens had laten liggen en dat de tijd de doorslag zou moeten gaan geven, een lijdensweg kortom. Na 42 T6d4 De5 43 Df4 Te2+ 44 Txe2 Dxe2 45 Df2 De5 46 Df3+ was 46 .. Kc8 ?? dan ook een hele opluchting want na iets als 46 .. Ka7 had het lijden nog heel lang gerekt kunnen worden.

Ik behoor nog echt tot die generatie schakers die onze sport als een denksport ziet en niet als een behendigheidsspel. Ik vind het leuk om door diep na te denken net even slimmere of gemenere zetten te doen dan mijn tegenstander en zo een partij te winnen. Vluggeren en rapid zie ik zuiver als behendigheidssport waarvan de uitslag me niet echt interesseert omdat de geluksfactor me te groot is. De steeds meer oprukkende praktijk dat serieuze partijen in een vaste periode van 2 uur moeten worden beslist is me dan ook een doorn in het oog omdat deze partijen daarmee eigenlijk zijn gedevalueerd tot een soort rapidpartijen en uiteindelijk zelfs in een vluggertje kunnen eindigen. Vaak valt de beslissing voordat de echte paniektoestanden uitbreken maar vanaf het begin van de partij zit je in dubio of je wat tijd moet steken in het zoeken naar een bovengemiddelde zet of dat je met het oog op toekomstige tijdnood maar een routinematig zetje moet spelen en rustig moet wachten op een foutje van de tegenstander. Kortom, vroeger probeerde je zelf iets af te dwingen, tegenwoordig is het eigenlijk verstandiger om te wachten tot de tegenstander zichzelf de das omdoet. En dit laatste vind ik veel minder leuk. Ik heb eigenlijk geen zin om te wachten op een fout van de tegenstander, ik wil het liefst winnen door gewoon betere zetten te doen. In de huidige praktijk van 2 uur voor de hele partij gebruik ik de eerste 1 a 1,5 uur om nog enigszins diepzinnig te spelen. Daarna probeer ik over te stappen op wat sneller routinematig spel en als de partij maar niet tot een beslissing wil komen, eindigt het zo nu en dan in mijn ergste nachtmerrie, uitvluggeren. En dat is dus het ergste als je gewonnen staat. De interne competitie van VDS met een tijdcontrole op de 40e zet ervaar ik dan ook als bijzonder ontspannend. Het zal zelden zover komen maar het is een geruststellende gedachte. Met weemoed denk ik dan ook terug aan de tijden dat we eens in een bondswedstrijd 7 van de 8 partijen afbraken en een beslissingswedstrijd om het kampioenschap pas na 2 hervattingen tot een beslissing kwam. Hoogovenstoernooien waarin je soms meerdere afgebroken partijen had en direct na afloop van je reguliere partij weer een zitting aan een afgebroken partij moest wijden. Die goede oude tijd waarin schaken nog een denksport was Maar ik denk dat vooral dit soort taferelen de oorzaak is van het huidige rigide - voor wedstrijdleiders ideale - tijdcontrolebeleid. Wie schaken tegenwoordig nog als pure denksport wil bedrijven kan nu alleen nog maar in het correspondentieschaak terecht. En in de interne competitie van VDS natuurlijk.

Bert Meester