Polzer, Schuddebuiken en Noordsvaarder
(Bericht van Terschelling nr. 15)
Ik val op oude mannen. Dat zal ik verduidelijken aan de hand van een citaat
uit een prachtig interview met Heinz Hermann Polzer ofwel Drs. P. Negentig is
de oude baas al en nog steeds vol humor. Maar eerst het citaat: - Ik verveel me nooit in mijn eentje, vind
mezelf bepaald geen onaangenaam gezelschap - . U begrijpt nu welke oude man
ik bedoelde.
Nog meer humor. – En mijn ogen zijn inmiddels ook al aardig werkschuw geworden.
Vreemd genoeg lees ik gemakkelijker zonder bril dan met. Hoewel dat ook heel
goed aan die bril kan liggen. –
En over Balkenende: - Ik heb vooral
ontzag voor zijn hardnekkigheid en vasthoudendheid. Het is voorwaar niet niks
om vier achtereenvolgende kabinetten te doen stranden. Daar is toch enig
doorzettingsvermogen voor nodig. –
Ik wou dat ik nog zo scherp was als ik negentig ben.
Zelf ging ik weer eens naar DVW (de vaste wal) en naar mijn stapelstulpje voor
een bruiloft en een bezoekje aan mijn oude vader (91). Hij vond dat we met een
ruit op het midden met de punt naar achteren moesten spelen. Op weg naar de
haven, in alle vroegte, pikte ik een neger op, die stond te liften. Normaal
neem ik geen lifters mee, laat staan zwarte negers, maar dit is Terschelling. Zag
u de mooie zinswending? Laat staan.
Een Oerol-muzikant, die de laatste bus van Oosterend gemist had en zo de
zon op had zien komen. Hij was “flabbergasted”
van het eiland. “Mooi woord” zei ik, wat vind jij van “schuddebuiken”? Hij lachte de welbekende hagelwitte tanden bloot.
Verder kwamen nog ter sprake: miscellaneous,
stranterfanten, flierefluiten en goegeloeren. Ja, dan ben je zo op West.
Na twee zware dagen was ik weer gelukkig toen op de terugweg de Brandaris en de
witte duinen van de Noordsvaarder opdoemden. Weer thuis. Mijn geluk was
volmaakt toen een duinparelmoervlinder in mijn tuin mij verwelkomde.
Frank, op de blanke top